Bezoeker

Naoorlogse ontwikkelingen

Na de oorlog heeft vooral door de enorme ontwikkeling binnen de anesthesie, evenals bij andere heelkundige specialismen, de operatieve orthopaedie een zeer grote vlucht genomen. In de jaren '60 wordt de Engelse orthopaedisch chirurg John Charnley de grondlegger van de huidige manier van implanteren van een kunstgewricht met behulp van 'botcement'. Hierdoor is de ontwikkeling ontstaan die het implanteren van de heupprothese (en toenemend ook de knieprothese) tot een ingreep heeft doen worden welke door geen andere techniek wordt overtroffen wat betreft succes en relatief laag aantal complicaties.
Het implanteren van heup- en kniegewrichten is een routine-ingreep geworden.

 

Ook schouder- en ellebooggewrichten, met name bij reumapatiënten, kunnen zonder al te grote problemen door een kunstgewricht worden vervangen.

Ook de operatieve fractuurbehandeling heeft zich de laatste 40 jaar tot een zeer hoge standaard ontwikkeld, met name door de zogenaamde AO-groep in Zwitserland (Arbeitsgemeinschaft für Osteosynthese).

 

Via het ontwikkelen van operatietechnieken in combinatie met exact passend osteosynthesemateriaal en daarvoor bedoeld Zwitsers precisie-instrumentarium is de operatieve fractuurbehandeling tot hoge kwaliteit verheven.

 

Een andere orthopaedische ontwikkeling die zich de laatste 20 jaar enorm heeft doorgezet is de arthroscopie. Het kijken in bijvoorbeeld gewrichten was ook al voor WO II mogelijk maar allerlei technische ontwikkelingen zoals gebruik van koud licht, chipcamera's en fijne instrumentaria hebben de huidige techniek van arthroscopische chirurgie mogelijk gemaakt (meniscusoperaties, kruisbandoperaties, schouderinstabiliteit en arthroscopische behandeling van sommige fracturen).

Om deze website optimaal te laten functioneren gebruiken wij cookies. Voor meer informatie zie ons cookiebeleid.